Sinds de Amerikaanse en Israëlische aanvallen op Iran en de daaropvolgende afsluiting van de straat van Hormuz, staat de toevoer van fossiele brandstoffen in Europa onder druk. Daardoor zijn de prijzen van brandstoffen en andere op aardolie gebaseerde producten gestegen. Ook de Euregio Maas-Rijn (bestaande uit de Nederlandse provincie Limburg, de Duitse regio Aken, de Duitstalige Gemeenschap in België, en de Belgische provincies Limburg en Luik) wordt hierdoor getroffen. Studio Europa Maastricht sprak met Martin Unfried, directeur van het Institute for Transnational and Euregional cross-border cooperation and Mobility (ITEM), over impact van de energiecrisis op de Euregio Maas-Rijn.
Laten we om te beginnen eens kijken naar wat de Euregio precies inhoudt. Unfried: “De Euregio, dat is een verhaal met twee kanten. Ten eerste is het een formeel samenwerkingsverband, een zogeheten ‘European Grouping of Territorial Corporation’. Het bestuur wisselt om de zoveel tijd, en kan vervuld worden door de Nederlandse Commissaris van de Koning voor Limburg of bestuurders van de Belgische en Duitse regio’s en provincies. De Euregio heeft de taak om grensoverschrijdende projecten te ondersteunen. Maar wellicht belangrijker nog is de tweede dimensie van de Euregio: de Euregio is een idee, de gedachte dat we in één regio wonen, dat we verbonden zijn met elkaar en samen problemen aanpakken.”
Unfried is bang dat dit idee onder druk staat. “De eerste barsten ontstonden toen België tijdens de coronacrisis de grensovergangen met Nederland sloot. Vandaag de dag zijn er grenscontroles aan de Duitse grens. Dat versterkt het idee dat nationale grenzen ook hier bepalend zijn voor allerlei dingen, zoals migratie en veiligheid. Het idee van de Euregio moet daarom verduidelijkt worden aan burgers, ambtenaren en politici.”
“De Euregio is een idee, de gedachte dat we in één regio wonen, dat we verbonden zijn met elkaar en samen problemen aanpakken”
Versplintering
Deze ‘versplintering’ van de Euregio zou vergroot kunnen worden door de energiecrisis, denkt Unfried. “De hoofdsteden houden niet echt rekening met de behoeftes aan de grens. Neem nou de opbouw van een duurzaam energienet. Uiteindelijk is dit de enige manier om minder afhankelijk te worden van fossiele brandstoffen. Maar de aanpak hiervan is in de eerste plaats nationaal. Uit onderzoek van ITEM bleek dat er op de grens tussen Duitsland en Nederland nauwelijks projecten zijn om gemeenschappelijk duurzame energie op te wekken of op te slaan.”
Volgens Unfried is dat een groot probleem voor Nederland: “Bedrijven, automobilisten en huishoudens moeten overstappen op elektriciteit, terwijl er op het Nederlandse elektriciteitsnet helemaal geen ruimte is. En dat terwijl het net in Duitse grensgemeentes niet overbelast is. We zouden dus veel sneller kunnen overstappen op elektrische vormen van transport, verwarming en productie als we eenvoudig een elektriciteitskabel tussen Kerkrade (Nederland) en Herzogenrath (Duitsland) konden aanleggen. Maar dat lukt niet, omdat er allerlei juridische blokkades zijn.”
Zijn de problemen met het overbelaste elektriciteitsnet in de Euregio groter dan in andere delen van Nederland, België en Duitsland? “Uiteraard is de energiecrisis overal merkbaar. De Duitsers hadden tien jaar geleden ook al kunnen vermoeden dat hun afhankelijkheid van Russisch aardgas een groot probleem zou worden. En Nederland wist ook al heel lang dat het niet kon doorgaan met het oppompen van Gronings aardgas. Dus men had overal al veel eerder moeten beginnen met de overgang naar een duurzame energiehuishouding. Maar ik denk dat we hier in het grensgebied nog meer problemen hebben, omdat het zo moeilijk, of soms zelfs onmogelijk, is om grensoverschrijdend samen te werken. Zoals bij het elektriciteitsnet ligt de oplossing vaak over de grens, maar samenwerking blijkt toch vaak onmogelijk.”
Communicatie
Daar komt nog bij dat lokale overheden ook niet gewend zijn om met elkaar samen te werken. “Ik vergelijk het weleens met de grote windmolenparken die nu door België, Duitsland en Nederland in de Noordzee gebouwd worden. De landelijke regeringen hebben hier met elkaar afspraken over gemaakt en tot in detail afgestemd. Maar als provincies of gemeentes uit de drie Euregiolanden iets samen willen doen, dan blijkt dat verschillen in wetgeving de boel toch algauw erg complex maken.”
“We zouden veel sneller kunnen overstappen op elektrische vormen van transport, verwarming en productie als we eenvoudig een elektriciteitskabel tussen Kerkrade (Nederland) en Herzogenrath (Duitsland) konden aanleggen”
Volgens Unfried zouden uitzonderingen op bestaande, landelijke wetgeving een uitkomst kunnen bieden. “In Lanaken, aan de grens tussen Nederland en België, ligt een industriegebied waar ze bijvoorbeeld hebben afgesproken om bepaalde geluidsnormen aan te passen. Zo wordt voorkomen dat bedrijven daar rekening moeten houden met twee verschillende normen. Ook bij gemeenschappelijke energieprojecten zou je kunnen afspreken om uitzonderingen op landelijke wetten toe te passen, waardoor dit soort projecten gemakkelijker van de grond kunnen komen. Denk bijvoorbeeld aan een uitzondering op de regel dat een Nederlands bedrijf altijd op het Nederlandse stroomnet moet worden aangesloten. De regels van de Benelux Unie (het samenwerkingsverband tussen België, Nederland en Luxemburg) bieden al de mogelijkheid om in bepaalde gevallen een uitzondering te maken op landelijke wetgeving. Maar dan moeten de landen daar wel bewust voor kiezen. Soms heb ik het idee dat er zoveel meer met de Benelux gedaan zou kunnen worden.”
Moeilijke keuzes
Goede communicatie is hierbij van cruciaal belang. “Soms zien we dat de samenwerking tussen Nederland en Duitsland beter verloopt dan die tussen Nederland en België. Dat heeft misschien te maken met verschillen in cultuur of werkwijze.” Ook ziet Unfried dat communicatie met de burger soms een struikelblok vormt. “Onder sommige Nederlanders leeft het gevoel dat Duitsland grote windmolens met name in de buurt van de grens neerzet. Hoewel dit volgens mij niet klopt, er staan immers ook in het Duitse binnenland veel windmolens, heeft dit ertoe geleid dat er in Nederland actiegroepen zijn ontstaan die de plaatsing van deze windmolens proberen te voorkomen. Anderzijds geldt dat veel Duitsers niet zitten niet te wachten op een kerncentrale pal aan de grens, terwijl de Nederlandse regering juist heeft besloten om vier nieuwe kerncentrales te bouwen, dus mogelijk ook in Limburg. In de toekomst zullen er nog veel meer vergelijkbare lastige beslissingen moeten worden genomen. Het is daarom van groot belang om goed na te denken over de manier waarop we communiceren over dit soort projecten, en welke inspraakmogelijkheden burgers hebben.”
Recent heeft ITEM gewerkt aan een brochure die uitlegt wat de inspraakmogelijkheden zijn bij projecten in grensgemeenten. “Het idee achter de afspraken tussen Duitsland en Nederland is dat je de burgers over de grens op dezelfde manier informeert als je ‘eigen’ burgers. Ook kan een Nederlandse gemeente een Duitse gemeente vragen om een milieueffectenrapportage te laten maken, zoals dat in Nederland verplicht is.”
“De Nederlanders die nu actievoeren tegen de Duitse windmolens, zullen misschien minder boos zijn als zij ook van een deel van de opbrengst kunnen profiteren”
Tenslotte herinnert Unfried ons eraan dat er mogelijkheden bestaan om een deel van de opbrengst van windmolens met burgers te delen. “De Europese Commissie promoot het idee van ‘energiegemeenschappen’. Dat zijn coöperaties waarin burgers samen investeren in bijvoorbeeld elektriciteitsproductie, en diezelfde burgers daarvan ook de financiële vruchten plukken. Maar ook hier geldt weer: laten we dit Euregionaal oppakken. De Nederlanders die nu actievoeren tegen de Duitse windmolens, zullen misschien minder boos zijn als zij ook van een deel van de opbrengst kunnen profiteren. Maar, zoals ik al eerder aangaf: door regelgeving is het erg lastig om dit grensoverschrijdend aan te pakken. We hebben dus innovatieve oplossingen nodig.”

Martin Unfried werkt sinds 1997 in Nederland. Hij was eerst verbonden aan het European Institute for Public Administration (EIPA). Sinds 2015 is hij senior onderzoeker bij ITEM en in 2025 werd hij benoemd tot directeur van ITEM. Martin is project leider van ITEM’s jaarlijkse grenseffectenrapportage en onder andere verantwoordelijk voor de ontwikkeling van een leidraad grenseffecten voor de Nederlandse regering en onderzoeken naar territorial impact assessment. Hij is ook gespecialiseerd in vragen rond om de grensoverschrijdende arbeidsmarkt en arbeidsbemiddeling en was betrokken bij de oprichting van grensinfopunten en de organisatie van services grensoverschrijdende arbeidsbemiddeling. Hij is op dit moment onder andere bezig met onderzoeken voor de Europese Commissie en de OECD.
