Mark Sanders, hoogleraar internationale economie aan de Universiteit Maastricht.
Hoe kan de Nederlandse economie overeind blijven in een wereld die in brand staat? Met een oorlog op ons continent, een handelsconflict met de Verenigde Staten en een China dat met zijn handelspraktijken elke concurrent wegdrukt is het duidelijk dat geopolitiek en economie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dáár zou het in de Nederlandse verkiezingen dan ook over moeten gaan.
De discussie over de Nederlandse economie is niet los te zien van de Europese. In Brussel is de overtuiging sinds het inmiddels beroemde Draghi-rapport dat Europa zonder ambitieus industriebeleid zal terugzakken naar het tweede (of derde?) plan. Sinds de publicatie van dit rapport stapelen de voorstellen uit de Europese Commissie zich op: voor investeringen in defensie, energiezekerheid en innovatie. We zijn getuige van de geboorte van een heus Europees industriebeleid.

Beperkt
Toch klinkt dit Europese debat in Nederland beperkt door. Alle partijen erkennen dat er een actieve industriepolitiek nodig is om concurrerend te blijven, maar de invulling loopt sterk uiteen. JA21, VVD en CDA leggen de nadruk op concurrentiekracht, steunen kernenergie en waterstof, maar verzetten zich tegen stevig klimaat- en natuurbeleid. D66 en Volt zetten vooral in op kennis en innovatie, juist ook om duurzaamheid en de circulaire economie te bereiken. GroenLinks-PvdA en PvdD pleiten voor scherpe emissiereducties, hogere belastingen voor vervuilers en forse groene, publieke investeringen. Terwijl FvD, PVV en BBB juist afwijzend staan ten opzichte van klimaat- en natuurmaatregelen en hameren op betaalbaarheid van energie en de bescherming van traditionele sectoren.
Brede steun is er vooral voor de concreetste onderdelen van het Draghi-rapport: defensie-investeringen en versoepelde begrotingsregels. Vanuit geopolitiek perspectief valt dat te begrijpen. Burgers voelen de dreiging en vragen om bescherming van banen en sectoren. Maar meer granaten en vrij baan voor fossiele productie zijn geen investeringen in de toekomst. Versterking van de status quo levert geen innovatiekracht en geen economische groei op. We behouden dan hooguit wat er is – en zelfs dat maar tijdelijk.
Wie vooruit kijkt, moet durven inzetten op modern industriebeleid: missie-gedreven en offensief. Dat betekent dat de overheid niet alleen bedrijven faciliteert en sectoren beschermt, maar actief richting geeft aan innovatie en investeringen. Door grootschalig in te kopen en te investeren in oplossingen voor de toekomst. Dat beleid begint met duidelijke en ambitieuze missies. Het klassieke voorbeeld is Kennedy’s ‘man op de maan’, maar er zijn genoeg moderne equivalenten te bedenken: mobiliteit zonder fossiele CO₂, voedselzekerheid zonder stikstofuitstoot, energie uit eigen bronnen of volledig hergebruik van strategische grondstoffen. Zulke missies zijn concreet, technisch meetbaar en inspirerend tegelijk.
Missie
Missie-gedreven industriebeleid vergt moed. Het betekent dat de overheid niet de gevestigde bedrijven ondersteunt, maar juist ruimte creëert voor nieuwe ondernemers en experimenten. Dat brengt mislukkingen met zich mee, maar zonder mislukkingen geen innovatie. Onderwijs, wetenschap en disruptief ondernemerschap zijn de pijlers waarop Europa zijn toekomst kan bouwen. Daarmee investeren we niet in het vasthouden van het bestaande, maar in het
ontwikkelen van oplossingen die niet alleen Europa, maar de hele wereld straks nodig heeft. En wie zegt dat je aan het oplossen van problemen geen goede boterham kunt verdienen?
Voor Nederland geldt bovendien dat nationaal industriebeleid alleen zinvol is binnen de Europese context. Onze markt is te klein om de slag met China of de VS te winnen. Alleen door ons beleid goed af te stemmen met de Europese missies kunnen we schaal en slagkracht ontwikkelen. De aankomende Tweede Kamerverkiezingen zijn hét moment om deze discussie voluit te voeren. Industriebeleid is geen apolitieke bijzaak. De keuzes die partijen nu maken, hebben grote invloed. Het gaat over de banen, de veiligheid en de welvaart van komende generaties.
Daarbij vergeleken zijn (tijdelijke) woningnood en (dalende) asielinstroom echt klein bier. We moeten vooral de echte ondernemers steunen, niet de gevestigde bedrijven. Dat beleid is moeilijker, duurder en lastiger te verkopen. Maar op termijn zijn er voor onze moeilijke problemen geen gemakkelijke oplossingen.
Deze bijdrage werd eerder gepubliceerd in dagblad De Limburger en is onderdeel van een reeks van Studio Europa Maastricht over de Europese dimensie van de Tweede Kamerverkiezingen.
